De Lierse kopie van de lijkwade van Turijn

1. De Lierse kopie van de lijkwade van Turijn

Er zijn thans in heel de wereld 69 kopieën van de lijkwade van Turijn gekend. Daarvan is de Lierse kopie, die dateert van 1516, de oudste. Ze wordt bewaard in de Collegiale kerk van Sint-Gummarus.

Voor- en achterzijde van de gestorven Christus zijn geschilderd op een lichtkleurige, fijn geweven katoenen doek waarvan de afmetingen ongeveer een derde bedragen van het origineel. Beide voorstellingen van het lichaam zijn elk 62 cm lang en werden met het hoofd naar mekaar gekeerd. Hierdoor lijkt het dat Christus op het textiel lag, dat over zijn hoofd heen werd gevouwen.

De Messias is voorgesteld met gekruiste handen en voeten. Het hoofd heeft lang haar dat over de schouders golft en achteraan in vijf staartjes is verdeeld. Het gezicht vertoont een snor en gespleten baard; op de voor- en achterzijde zijn lichtrode vlekken te zien als sporen van de doornenkroon. De linkerkant van de borst is getekend door een grote rode vlek. Verder zijn wonden te bespeuren op handen en voeten in de vorm van rode punten. Op de achterzijde vertonen de voeten rode sporen. Zowel aan voor- als achterzijde werden enkele rode stippen aangebracht. Ze zijn telkens links en rechts van de Heiland geplaatst in groepjes van vier: drie stippen naast elkaar en één boven. Een uitzondering hierop is de rechterzijde van de voorkant met enkel drie rode stippen.

Tussen de twee zijden van het hoofd staat bovenaan de datum 1516 en onderaan werd een Latijns zesregelig vers kaligrafisch geschreven, dat vertaald luidt:

“Vooraleer het dode lichaam van Jezus van het
kruis werd genomen, heeft Jozef het zelf ingewikkeld.
Dit is waarlijk de lijkwade, ten minste het derde deel
(omdat Jezus’ lichaam drie keer zo groot was).
Dit brengt u, lezer, diens dood scherp voor de geest,
die Hij voor jou uit vrije wil heeft ondergaan,
zodat een afbeelding van zijn vreselijk lijden overblijft.”

Onderaan werd in hetzelfde lettertype over de gehele lengte een Duitse tekst geschreven, die als volgt dient verstaan te worden:

“De Zoon van God, Jezus Christus, onze verlosser,
is na zijn bittere dood in een zuiver doek
gelegd en begraven, waarin Hij uit goddelijke kracht,
gelijk aan zijn gestalte, zijn menselijk beeld heeft
nagelaten. Dit heilig doek wordt ieder jaar
de dag na Kruisvindingsdag in Chambéry in
Savoye getoond, en met ziet hoe het wondere
tekens verricht.”

Uit het materiële onderzoek blijkt dat de Lierse kopie een imprint laat zien op zowel voor- als achterzijde, wat een aanwijzing is dat een vorm met veel kracht op de katoenen doek werd gedrukt. Naast deze indruk zijn ook puntjes te zien. Vermoedelijk werd eerst een sjabloon gemaakt in de vorm van Christus’ lichaam. Deze sjabloon werd vervolgens gedrukt op het textiel en veroorzaakte zo de imprint. Het reliëf is met schuin invallend licht duidelijk vast te stellen. De sjabloon zelf was doorgeprikt, zodat de gaatjes konden ingekleurd worden met vermoedelijk houtskool in poedervorm. Zo werden donkere stippen gevormd, die als coördinaten dienden om het lichaam te schilderen waarvan de borstelstreken duidelijk waarneembaar zijn. Het is geen toeval dat de handen – als lichaamsdeel moeilijk te schilderen – op de kopie vele punten vertonen. Voor de schildering van de contouren werd een geelachtige verf gebruikt, waarschijnlijk op basis van eiwit. Hierop werden met een donkere kleur, waarschijnlijk met als hoofdbestanddeel houtskool, de beenderen en het hoofd weergegeven, waarvan de penseelstreken eveneens zichtbaar zijn, voornamelijk op de achterzijde van het lichaam.

2. De originele lijkwade van Turijn en haar Lierse kopie

Dankzij de Duitse tekst op de Lierse kopie weten we dat de originele lijkwade - waarvan men geloofde dat Jozef van Arimatea er Jezus mee omhulde voor die in ’t graf werd gelegd – zich in de stad Chambéry van het hertogdom Savoye bevond. Ze werd er bewaard in de hertogelijke kapel van het huis van Savoye. Op die plaats is er een brand geweest op 4 december 1532. Ondanks het feit dat de tekening zo goed als ongeschonden bleef, liep het doek toch grote schade op. Aangezien de Lierse kopie de oudst gedateerde (1516) en enige kopie is van vóór de brand van 1532, is zij de enige die het uitzicht toont van het origineel voor die beschadigd werd door het vuur. De originele lijkwade is uiteindelijk in de kathedraal van Johannes de Doper in het Italiaanse Turijn terechtgekomen, waar ze  nu nog altijd wordt bewaard.

Ze is ongeveer drie keer groter dan de Lierse kopie en toont voor- en achterzijde van Christus in negatief met lang haar, gespleten baard en gekruiste handen. Op het origineel vermoedt men dat de voeten naast elkaar liggen, alhoewel dit moeilijk is waar te nemen. Op de Lierse kopie zijn de voeten gekruist. Dit komt waarschijnlijk door de onduidelijkheid op het origineel en de gewoonte om in de zestiende eeuw de Gekruisigde af te beelden met over elkaar liggende voeten, waar één spijker was doorheen geslagen. Op het origineel kunnen de wonden aan hoofd, handen, voeten, linkerborst en rug goed worden waargenomen. Op de Lierse kopie werden de sporen van geseling op de rug weergegeven met harde penseelstreken. In tegenstelling tot de Lierse kopie zijn de ogen van Christus op het origineel gesloten en zijn de geheimzinnige, rode punten van de Lierse kopie op het origineel vervangen door ingebrande gaten.

3. Armand Thiéry, “Une copie du Suaire de Turin”

Tot 1905 leidde de Lierse kopie van de lijkwade van Turijn een letterlijk verborgen bestaan in de kluizen van de Sint-Gummaruskerk. Men dacht dat het voorwerp weinig waarde bezat. Tot in 1905 de Leuvense professor, kanunnik Armand Thiéry (1868-1955) - eerder toevallig - op de hoogte werd gesteld van het bestaan ervan.

Tussen 1905 en 1909 publiceerde hij zijn monografie “Une copie du Suaire de Turin”. Dit werk was baanbrekend voor de studie van de Lierse kopie. Op het eerste gezicht lijkt het een grondig en sluitend naspeurwerk en daarom werd het vaak door navolgers herkauwd. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van enkele Lierse mythen, zoals de toeschrijving van het auteurschap aan Barend van Orley of Albrecht Dürer. Ook de band met het Mechelse hof van Margareta van Oostenrijk is onder invloed van dit boek ontstaan.

Regelmatig gaat de hoogleraar van een stelling uit waarvoor hij argumenten bijeen sprokkelt. Verscheidene van zijn hypothesen blijken aldus fictie te zijn. Maar hoe dan ook, zijn uitgebreide studie, hoewel niet altijd correct, had de grote verdienste dat de Lierse kopie plots in het brandpunt van de belangstelling kwam te staan. Zeker toen men besefte, dat het de oudste en enige kopie betrof die dateerde van vóór de brand van 1532, waarbij het origineel zwaar werd beschadigd.

4. E.L., “Eene kopij van het zweetdoek van Turijn te Lier”

De monografie van A. Thiéry “Une copie du Suaire de Turin” is het standaardwerk van nagenoeg alle publicaties, die sinds het verschijnen ervan het licht zagen. Een van deze eerste door A. Thiéry gekleurde pennenvruchten was het artikel van E.L. in het eerste deel van “Lyrana” in 1909. “Lyrana” was een Liers cultureel tijdschrift dat als jaarboek slechts drie keer verscheen (1909-1911). E.L. is het pseudoniem van de redactiechef August Oscar Vermeiren, die in een artikel van zes bladzijden de stellingen van de Leuvense professor herhaalde en zo meehielp aan de creatie van enkele Lierse mythen welke tot op heden voortleven.

5. Hertha Leemans, “De Sint-Gummaruskerk te Lier”

In 1972 werd in het kader van de inventarisatie van het kunstpatrimonium het werk van Hertha Leemans “ De Sint-Gummaruskerk te Lier” gepubliceerd. De provinciale inspectrice voor culturele aangelegenheden nam in haar samenvatting Thiéry’s gegevens over zoals A.O. Vermeiren enkele decennia eerder had gedaan. Barend van Orley en Albrecht Dürer bleven overeind als mogelijke auteurs en Margareta van Oostenrijk als opdrachtgeefster, bezitster en genereuze schenkster van de kopie aan de abdij van Nazareth via haar “chevalier d’honneur”, Antoon van Lalaing.

 

6. Anne Beeckman, “De Lierse kopie van de lijkwade van Turijn (1516)”

In haar verhandeling tot het verkrijgen van de graad van licentiaat in de kunstwetenschappen (2002) snijdt Anne Beeckman de problematiek van de overlevering aan met betrekking tot de Lierse kopie. In vier hoofdstukken onderzoekt zij het object van haar studie, afkomst, techniek, opdrachtgever, auteurschap en functie. De invloed van Armand Thiéry werd nagegaan en de relatie van de Lierse kopie ten aanzien van het Turijnse origineel. Tot slot beschrijft ze de fascinatie van de mens voor Christus’ “ware afdruk” in het herfsttij der middeleeuwen en bij het begin van de nieuwe tijd. De thesis werd als leidraad gebruikt voor de tentoonstelling van de Lierse kopie ter gelegenheid van Erfgoeddag op 22 april 2007.

 

7. De bewaarkoker van de Lierse kopie

De Lierse kopie van de lijkwade wordt origineel bewaard in een 42 cm lange, ronde koker met een diameter van 4,3 cm. Deze houten cilinder is overtrokken met leder en wordt afgesloten met een houten stuk. Om het doek in de koker te bergen, wordt het eerst rond een houten lat gedraaid. Van Albrecht Dürer is geweten dat hij op zijn reis in de Nederlanden in het bezit was van een dergelijk type van koker. Armand Thiéry grijpt dit feit ondermeer aan om te verwijzen naar het auteurschap van Albrecht Dürer. In zijn zorgvuldig bijgehouden dagboek van deze reis vermeldde de Duitse kunstenaar echter niets over een kopie van de lijkwade, in een dergelijke koker weggeborgen, die tot zijn reisbagage zou behoord hebben.

8. Margareta van Oostenrijk en de kopie van de lijkwade van Turijn

Armand Thiéry haalt meerdere redenen aan om Margareta van Oostenrijk (a) aan te duiden als de opdrachtgeefster tot het vervaardigen van de Lierse kopie van de lijkwade van Turijn.

Hij wijst op de grote devotie van de landvoogdes. Bovendien was haar echtgenoot Philibert II van Savoye eigenaar van de originele lijkwade toen die nog in Chambéry berustte. De vader van Margareta, keizer Maximiliaan van Oostenrijk, koesterde wellicht een nog grotere verering voor de lijkwade dan zijn dochter, die dan besloot hem een kopie ten geschenke te geven. Dit zou dan ook de Duitse tekst verklaren. Maar aangezien de keizer in 1519 overleed, belandde de kopie nooit aan het keizerlijke hof.

Vervolgens deed hij beroep op de koninklijke glasramen van het hoogkoor in de Sint-Gummaruskerk, welke door Nicolaas Rombouts (hofglazenier van Margareta en de jonge Karel V) gemaakt en geplaatst werden naar aanleiding van de Blijde Intrede van Karel V als hertog van Brabant (1516). Op het uiterst linkse lancetraam zijn Margareta en haar echtgenoot Philibert afgebeeld (b). Volgens Armand Thiéry overhandigde zij op dit raam de koker met daarin de kopie van de lijkwade. Het probleem is dat het gebaar van de overhandiging door de Duitse beschieting van 1914 werd beschadigd en dat Gustave Ladon dit stuk restaureerde in 1937. Er bestaat geen foto van dit glasraam van voor de beschieting. De Lierse restaurateur en heemkundige, Bernard Janssens, beschrijft in 1929 (dus vóór de restauratie door Gustave Ladon) het glasraam in “Iets over de St Gommaruskerkentoren te Lier”. (c)  Hij weet niets speciaals te vermelden in verband met de overhandiging van de lijkwade in de koker. Vandaag herkent men met enige moeite een soort van smalle, lange staaf ter hoogte van de gevouwen handen van de in bidhouding uitgebeelde landvoogdes, maar het kan evengoed de linkerzijkant van haar mantel zijn.

Ten slotte verwijst hij naar Altmeyer, die in zijn werk over Margareta van Oostenrijk de Rijselse bron citeert, dat Margareta van Oostenrijk tien philipussen betaalde aan Barend van Orley voor het maken van een kopie van de “Heilige Lijkwade”. Een bron die volgens Anne Beeckman in het archief van Rijsel niet zou te vinden zijn.

Dat Margareta van Oostenrijk een kopie van de lijkwade van Turijn in persoonlijk bezit had, staat historisch vast. In een inventaris van 1523 van de landvoogdes die zich bevindt in de Bibliothèque Nationale te Parijs, staat wel degelijk een lijkwade vermeld: “Item La po(r)traiture du Sainct Suaire de Nostre Seigneur fete en toille”. De beschrijving van de goederen van Margareta van Oostenrijk gebeurde naar aanleiding van haar verhuis van Mechelen naar Brussel in 1523. Het is echter niet zeker of het hier de Lierse kopie betreft. Maar het zou kunnen. Ze kan de kopie gekocht of gekregen hebben; ofwel er de opdracht toe gegeven hebben, gezien haar mecenaat, devotie en het prestige dat een dergelijk object meebrengt.

 

9. Is Bernard van Orley de auteur van de kopie?

Armand Thiéry citeert dat in de rekeningen van Margareta van Oostenrijk volgens J.-J. Altmeyer staat    vermeld, dat zij aan haar hofschilder Barend van Orley (1488-1541) in 1521 tien philipussen betaalde voor een “Heilige Lijkwade”. Margareta betaalde dus aan haar hofschilder in 1521 een bedrag voor een doek dat hij zelf had vervaardigd, ofwel voor een doek dat hij had gekocht van een ander kunstenaar. In het boek van Altmeyer “Marguerite d’Autriche; sa vie, sa politique et sa cour,”uitgegeven in 1840, wordt hiervoor verwezen naar register 1797 van het archief te Rijsel. Hiervan is echter niets aan te treffen in voormeld Frans archief. Deze bron zou dus niet bestaan.

Maar in de catalogus van 2005, samengesteld naar aanleiding van de tentoonstelling te Mechelen “Dames met klasse” waar eveneens de Lierse kopie werd geëxposeerd, lezen wij op bladzijde 265: “In 1521 liet ze (Margareta van Oostenrijk) door haar hofschilder, Barend van Orley, een kopie van de lijkwade maken, die ze altijd in de kast op haar slaapkamer zou bewaren …” Hebben de samenstellers van de catalogus eens te meer Armand Thiéry geciteerd en nagelaten de betrouwbaarheid van de “bron” te Rijsel te onderzoeken?

Van 1 juli tot 15 oktober 2006 ging er in Brou (Bourg-en-Bresse, Frankrijk), waar het mausoleum staat dat Margareta van Oostenrijk liet bouwen voor haar en haar echtgenoot Philibert (en voor diens moeder), de tentoonstelling door “Brou, chef-d’oeuvre d’une fille d’empereur”. Ook de Lierse kopie van de lijkwade was op de tentoonstelling present. Er werd echter in de bijhorende informatie geen gewag gemaakt over het auteurschap van Barend van Orley of Albrecht Dürer. Waren de inrichters van deze tentoonstelling misschien niet zo erg overtuigd van het auteurschap van één van de twee kunstenaars? Het auteurschap van Barend van Orley blijft dus onzeker, te meer omdat de Lierse kopie het jaartal 1516 draagt en Barend van Orley maar eerst in 1518 tot hofschilder werd benoemd.

 

10. Is Albrecht Dürer de auteur van de kopie?

Armand Thiéry haalt verscheidene redenen aan om het auteurschap toe te wijzen aan Albrecht Dürer. Vooreerst omwille van de zekerheid dat de Duitse kunstenaar op zijn reizen beschikte over het type van koker zoals die waarin de Lierse kopie wordt bewaard. Maar zoals eerder werd aangehaald, repte de Duitse schilder in zijn minutieus bijgehouden reisverslag met geen woord over een kopie welke in een dergelijke koker tot zijn reisbagage zou behoord hebben.

Aangezien de uitvinding van de portretmachine (3) op het actief van Dürer mag geschreven worden, vermoedt de Leuvense professor dat de Duitser dit toestel heeft gebruikt om de lijkwade te kopiëren. Hij laat echter na de werking van dit apparaat verder te verklaren. De kopieertechniek bestaat erin dat een kijker wordt gemonteerd welke de positie van het oog fixeert. Tussen deze kijker en het te kopiëren object staat een glazen plaat die in vierkanten is onverdeeld. Op de glazen plaat wordt het voorwerp eerst getekend en nadien overgebracht op papier dat eveneens in vierkanten is onderverdeeld. Het is echter de vraag of de kopiist zich baseerde op een schets of op een uitgekiende tekening van de originele lijkwade. Wanneer men immers de Lierse kopie vergelijkt met het origineel, dan merkt men wel de verwantschap met het origineel, maar de Lierse lijkwade is geen exact uitgemeten kopie van die van Turijn. In zijn dagboek vermeldde Dürer dat hij twee schilderijen op soepel linnen had verkocht op zijn reis in de Nederlanden (1520-21). Deze schilderijen had hij gemaakt naar een model dat hij bij zich had. Thiéry denkt dat één van de twee schilderijen op soepel linnen de Lierse kopie is. Dit is een heel wankele hypothese.

Thiéry merkt daarenboven op dat de Duitse tekst in het Neurenbergs dialect was gesteld, de stad waar Dürer was geboren en leefde. Recent onderzoek heeft echter duidelijk gemaakt, dat het Neurenbergs geen exclusief dialect is, maar tot een grotere regio behoort, namelijk het Noord-Beiers en misschien zelfs het Oost-Frankisch. Er is bovendien geen reden om aan te nemen dat de auteur van de tekst en de vervaardiger van de kopie één en dezelfde persoon zijn. De Latijnse tekst werd door A. Thiéry toegeschreven aan Willibald Pirckheimer (1470-1530), een humanist die vaak samenwerkte met A. Dürer. Voor de Leuvense professor was dit opnieuw een argument om Albrecht Dürer naar voren te schuiven als de maker van de Lierse kopie. Nieuwe onderzoekingen echter wijzen op het gekunstelde karakter van de Latijnse tekst, wat niet overeenstemt met de kwaliteit die Pirckheimer in zijn werken toonde. Een toeschrijving van het auteurschap aan Albrecht Dürer omwille van de link met Pirckheimer is dus niet overtuigend.

In de Duitse tekst is er nochtans iets, wat we goed moeten in de gaten houden. In zijn nauwkeurig bijgehouden dagboek van zijn reis in de Nederlanden noteerde Albrecht Dürer: “Item hab herr Nicolaus Ziegler geschenkt ein toden liegenden Christum, ist 3 fl. wert.” Albrecht Dürer zegt niet dat die “toden liegenden Christum” een werk is van zijn hand. Hij beweerde alleen dat hij dit werk schonk en dat het drie gulden waard was. De interpretatie dat hij dit werk verkocht aan Nicolaus Ziegler voor drie gulden is echter ook mogelijk. Nicolaus Ziegler was de rijkskanselier van Karel V. Hij stierf in 1534. Hij was wellicht de broer van Caspar Ziegler, een diplomaat in dienst van de hertog van Saksen, en verbonden aan het hof van Margareta van Oostenrijk te Mechelen.

En nu moet men eens goed gaan kijken naar het einde van de Duitse tekst van de Lierse kopie. Daar valt de afkorting “ZC” op. De letters zijn minder mooi weergegeven dan de andere en ze hebben in de betekenis van de zin geen enkel nut. Het is best mogelijk dat Caspar Ziegler via zijn broer Nicolaus in ’t bezit is gekomen van het werk van de “dode liggende Christus”, dit ook aangeeft met een soort van verzamelaarembleem “ZC”, maar het naderhand heeft geschonken of verkocht aan Margareta van Oostenrijk. Wat de kopie van de lijkwade betreft, bestaat er dus een link tussen Margareta van Oostenrijk via de gebroeders Ziegler met Albrecht Dürer. Het object dat hij in zijn dagboek vermeldde, zou de Lierse kopie kunnen zijn. Het is haast uitgesloten dat het van zijn hand is. Daarvoor stemt de kwaliteit van de Lierse kopie te weinig overeen met wat we van Albrecht Dürer gewend zijn. Dit wordt overigens kracht bijgezet doordat in zijn oeuvre geen soortgelijke voorwerpen aangetroffen zijn.

 

11. De abdij van Nazareth en de Lierse kopie

De abdij van Nazareth (a)  werd in 1235-36 door Bartholomeus van Tienen, een lekenbroeder van de orde der cisterciënzers, gesticht. De abdij lag stroomopwaarts van de Kleine Nete op slechts een paar kilometers van Lier verwijderd. Gezien haar contemplatief karakter werd de abdij door de Fransen opgeheven in 1797. Slechts een half jaar tevoren was de laatste abdis Norbertina Lints (b) overleden. De gebouwen en de inboedel werden vanaf hetzelfde jaar publiek verkocht. Vandaag resten nog de oude poort en enkele bijgebouwen.

In 1615 schreef jonkheer Richard van Graesen de kroniek van Lier (c). In dit handschrift komt een merkwaardige passage voor: “In de abdij van Nazareth wordt bewaert een weerdich stuc dat is te weeten het derdendeel vande doeck oft cleet daer Joseph van Ariamatyen inwont het lighaem ons salighmakers doen hij vanden cruysen gedaen was; het is eenen langhen doeck maar smal ende schynt te wesen van cattoen ende is wat bruynachtich, het tweede stuck wort bewaert tot Cameryc in sphoyen maer en seyt niet waer het derde bewaerdt wordt. In ’t jaer xv c en xvj soe isser tot Nasereth inde abdye eenen graeff den welcken dit weerdich stuck daer ter tyt voor groot present had geschonken.” Het is vrij zeker dat het hier de Lierse kopie betreft. Richard van Graesen vermeldde immers “1516” en “Cameryc in Saphoyen”. Alleen vergiste hij zich met “derdendeel”. Hij dacht dat er drie lijkwaden waren: de echte, dat van Nazareth en een derde dat hij niet wist waar het was. In feite moet “derdendeel” verstaan worden als op een grootte van een derde van het origineel.

Armand Thiéry vermoedt dat de graaf, die in 1516 de kopie van de lijkwade aan de abdij had geschonken, niemand minder is dan Antoon van Lalaing. Antoon van Lalaing was door zijn huwelijk met Elisabeth van Culemborg schatrijk en graaf van Hoogstraten geworden. Ze bewoonden daar hun kasteel, maar ze bezaten in Lier eveneens een prachtig “Hof van Hoogstraten” dat gelegen was juist ten noorden van de Sint-Gummaruskerk. Van kindsbeen af bestond er een nauwe band tussen Elisabeth van Culemborg en Margareta van Oostenrijk: ze hadden samen hun opvoeding genoten aan het koninklijk hof. Antoon van Lalaing stond erg in de gunst bij de landvoogdes: hij werd haar kamerheer, “chevalier d’honneur”, raadgever en hoofd van de financiën in de Nederlanden. Hij zal trouwens in 1530, wanneer koudvuur in de voet van Margareta regeren onmogelijk maakte, enkele maanden in haar plaats de Nederlanden besturen. Er kan een link bestaan tussen Margareta van Oostenrijk en de abdij van Nazareth via Antoon van Lalaing, maar bewezen is dit niet. Men mag er wel van uitgaan dat de cisterciënzerinnen in hun abdij een kopie bewaarden van de lijkwade van Turijn en dat het hier gaat over de Lierse.

Waarschijnlijk werden vóór en na de opheffing van de abdij in 1797 nog heel wat stukken van religieuze aard in veiligheid gebracht, waaronder de kopie van de lijkwade. Naast de kopie bewaart de Sint-Gummaruskerk nog andere voorwerpen die afkomstig zijn van de abdij zoals het altaargewaad van abdis Carola Butkens, antependia, relieken, beelden, …. De zusters werden trouwens eerder al bedreigd met confiscatie. Zo werden reeds de zegels op de abdij gelegd na de vlucht van abdis Norbertina Lints in 1795 naar Warendorf in Duitsland (omgeving van Munster). Ze keerde echter terug om inbeslagname van de abdij te vermijden. Het was evenwel uitstel van executie.

 

12. De functie van de kopie van de lijkwade

De Lierse kopie is een relatief klein object. Ter bewaring werd ze zelfs opgerold en in een lederen koker gestoken. Het is uitgesloten dat de Lierse lijkwade ooit een functie had als altaarstuk. Deze kunstvoorwerpen zijn immers vrij groot, omdat ze getoond werden aan een grote menigte. De kopie van Lier rangschikt zich onder de religieuze voorwerpen bestemd voor persoonlijke devotie.
Uit het Latijnse opschrift kan afgeleid worden dat de kopie van de lijkwade een memoriefunctie had, namelijk het in herinnering roepen van Jezus’ kruisdood en verrijzenis. Jezus is wel gestorven aan het kruis, maar na drie dagen is Hij uit het graf opgestaan. Hij leeft en Hij zal wederkeren. Vandaar dat de originele lijkwade getoond werd de dag na Kruisvindingsdag (4 mei). Het kruis onderstreept lijden en dood van de Messias en de lijkwade zijn verrijzenis. In die zin heeft het zilveren boompje van Norbert Lesteens van 1655 (a) een memoriefunctie, omdat het de relikwieën toont van de H. Gummarus. Door het zien van de relikwieën worden de gelovigen herinnerd aan de deugden en kwaliteiten van de heilige en aan de grootse dingen die God in hem bewerkstelligde.

Anderzijds wordt aan de lijkwade ook een helende kracht toegeschreven, omdat ze een contactreliek is. Men geloofde dat de kopie in aanraking was geweest met het origineel en dat de kracht van de Verlosser, die erin gehuld was geweest, overgevloeid was naar de kopie. In die zin moet men het prentje van Sint-Gummarus zien, door Fruytiers gemaakt in de 18de eeuw (b). Het vermeldt op de voorzijde “Dit Beldt heeft aengeraeckt de Reliquien van den H. Gommarus, die geert wordt tegen de gesletentheijt in sijne Collegiale kercke tot Lier”. Voor de gelovige verkreeg het object door de aanraking de identiteit en de kracht van de heilige. Dat van de relieken van Sint-Gummarus een grote genezingskracht uitging, bewijst het mirakelboek van Laurentius Perre waarin 232 wonderbare gunsten werden verleend aan pelgrims van 1475 tot 1494.(c)

Een andere functie van de lijkwade was dan weer om het “Kwade”, in zijn vele gedaanten, af te weren. In “relieken en memories 132/48: reliquien” (d), daterend van omstreeks 1652 en bewaard in het kerkarchief, vindt men de vermelding dat de kopie van de lijkwade van de abdij naar de Sint-Gummaruskerk werd gebracht om daar gebruikt te worden bij een duiveluitdrijving “… op een ander mael den heer confessor nemende deen begraef doeck tot Lier gegaen in de groote kerck daer eenen beseten wirt uut gemaent den  heer confessor rurde den begraef doeck tegen den rugge van de beseten die terstond begon te roepen dedn begraef doeck des heeren maekende groot getier als een die gepijnigt wort”. In hetzelfde document staat een verhaal opgetekend dat - in de voor onze streken bijzonder woelige en gevaarlijke tijd van 1577 tot 1609 - de zusters van Nazareth bedreigd werden door vijandige troepen. Maar één van de bernardienen (benaming naar Bernardus van Clairvaux, de grote bezieler van de cisterciënzers) stopte de Lierse lijkwade onder haar habijt en liep zonder vrees “… den heylich graf doeck bij haer nemede de soldaten te gemoet hun vragende wat sij begeerde.” De onthutste huurlingen antwoordden haar: “… wij meijnden veel quaedt te doen, en nu en connen wij niet, wij weten niet wat ons gebreck.” Het verhaal besluit “…ende  [zij] gingen wech.”

In de Sint-Gummaruskerk wordt de Lierse patroon Gummarus (+ 714) vereerd, wiens vroom en heilig leven ten dienste stond van God en de mensen. Het “Kwade” dat hij steeds had bestreden, kreeg gestalte in zijn boze vrouw Grimmara, die uitermate hard was voor haar ondergeschikten. Maar ook die nood wist Gummarus te lenigen. Voor zijn landarbeiders die overmand waren door hitte en dorst, liet hij een lavende bron ontspringen. Voor een boer verbond hij met zijn gordel een boom die hij achteloos had laten omhakken. Een kindje dat dreigde te stikken, schonk hij terug aan zijn wanhopige moeder. Vrouwen met een baby ontsloeg hij van herendienst en zelfs zijn hardvochtige echtgenote die door een onlesbare dorst dreigde te sterven, werd door hem gered. Na zijn dood bleef hij zijn mensen beschermen tegen de kwade bedoelingen van de Noormannen. Herhaaldelijk schonk hij zijn stadsgenoten moed en volharding om de gesel van de pest te boven te komen. Doofstommen die zijn hulp en bescherming inriepen, gaf hij spraak en gehoor terug. Waarom toch zou Sint-Gummarus bijstand weigeren wanneer men vol vertrouwen tot hem komt? Voor wie bij God leeft, is immers niets te moeilijk!

Sinds eeuwen koesteren de Lierenaars de stoffelijke resten van Sint-Gummarus en zijn gordel (e). Nog altijd komen ze, samen met talrijke pelgrims uit alle windstreken, naar de Sint-Gummaruskerk om zijn relieken te eren en om aangeraakt te worden door zijn gordel, opdat zij door zijn bemiddeling van de Heer zouden verkrijgen wat menselijke onmacht niet tot stand kan brengen.

Lier, 23 december 2006.
Karel Geenen